INSUB., 2021

In het Zwiterse Genève is INSUB. gevestigd. Dat is niet alleen een platenlabel, maar ook een orkest, een concertorganisator en een opnamestudio. INSUB. wordt geleid door Laurant Peter (als muzikant bekend onder de naam d’incise) en Cyril Bondi. De activiteiten van de organisatie zijn gestart in 2006, oorspronkelijk als netlabel en non-profitorganisatie onder de naam Insubordinations.

Op het label INSUB. zijn recentelijk drie uitgaven verschenen die een redelijk, zij het incompleet beeld geven van waar het label voor staat. De muziek is experimenteel, onderzoekend en is vaak gecomponeerd maar kan ook geïmproviseerd zijn. Hieronder worden de releases van Louis Laurain, Alvear-Bondi en Fredrik Rasten besproken. De meeste uitgaven van het label zijn overigens zeer de moeite waard.

Louis Laurain – Pulses, Pipes, Patterns

Trompettist Louis Laurain woont in Parijs. Zijn werk bevindt zich op de grenzen van experimentele muziek, elektro-akoestische muziek, jazz, traditionele muziek, beeldende kunst en performance art. Op trompet heeft hij zijn eigen muzikale taal ontwikkeld. Laurain treedt solo op, werkt op projectbasis met anderen samen en maakt deel uit van de Berlijnse band Die Hochstapler, de Frans-Poolse groep Lumpeks, het duo TDTNDG en het dertigkoppige improvisatie- en experimentele muziekorkest Onceim.

Pulses, Pipes, Patterns is een solowerk voor drie trompetten, laptop, een zelfgemaakt versterkingssysteem en diverse resonerende objecten met live en vooraf opgenomen trompetgeluiden, veldopnamen, vogels, witte ruis, trillende metalen spullen, zagen, padden, sinusgolven, muziek en natuurlijke en kunstmatige junglegeluiden. Het album is het resultaat van een soloproject genaamd Unique Horns, waarmee Laurain in 2016 is begonnen. Hij bouwde langzaam een elektro-akoestische opstelling op gedurende de jaren van onderzoeken, experimenteren en optreden. Het idee van Lauarin is om de trompet te presenteren als een resonerende ruimte, om zijn akoestische eigenschappen te gebruiken om geluiden te genereren en te verspreiden. Op het album gebeurt dat in vijf stukken waarin steeds een andere werkwijze wordt toegepast.

Het mag duidelijk zijn dat je op dit album geen ‘normale’ trompetklanken hoeft te verwachten. De geluiden die met of via het instrument ten gehore worden gebracht, komen niet steeds uit de beker, maar ook zijwaarts uit de trompet. Het zit ingenieus in elkaar en als experiment klinkt het veelbelovend. De vraag is of het muzikaal ook interessant is. Daarop is het antwoord ja, want elk van de stukken op het album intrigeert, niet alleen door de technieken die zijn toegepast, maar vooral door de klanken die Laurain weet te produceren en te verwerken in de muziekstukken.

In het eerste nummer, ‘Franzform’, gebruikt Laurain twee trompetten, zoals een stereo PA. Het is een lage frequentie met een sweep, plus een beetje feedback. De trompettist drukt aan beide kanten op het ventiel om de toon te moduleren. Beide trompetten zijn te onderscheiden, zoals ook te horen is dat er geluid door de buizen van de instrumenten gaat. Door de snelle opeenvolging van klanken klinkt het werk elektronisch, hoewel toch te horen is dat er akoestische elementen worden gebruikt. Laurain wisselt vaak van toonhoogte en brengt veel meer geluiden voort dan je op basis van de opstelling zou verwachten.

In ‘Rhypnoptic’ wil Laurain het mechanisme van het instrument laten horen, parasitaire geluiden die je als je conventioneel trompet speelt probeert te vermijden. Met feedback op de mixer creëert de muzikant een ritmisch frame, waar hij vervolgens langzaam een polyritmisch ritme aan toevoegt door een patroon op de kleppen te spelen. Het ritmische patroon in combinatie met de klanken die uit de openingen van de trompet komen, maken dat de muziek een levendig karakter heeft en niet louter het tonen van een experiment is. Hoewel het qua klankkleur duidelijk om een ander instrument gaat en ook andere technieken worden gebruikt, doet de muziek enigszins aan werk van saxofonist Colin Stetson ten tijde van New History Warfare denken. Laurain gaat overigens veel verder in zijn onderzoeksdrift dan de saxofonist.

Feedback is te horen in ‘Satellites for Nawel’. Die wordt in het instrument gegenereerd, waarbij koperen bladen op de beker resoneren en vervormingen veroorzaken. Laurain gebruikt in het stuk twee trompetten die hij verticaal zet. De feedback klinkt indringend en gaat gepaard met uit twee bronnen afkomstige klanken die samen een ritme vormen en verderop worden uitgerekt tot lange klanken, zodat ze samen met de oorspronkelijke feedback een gelaagde drone vormen. Daaruit maken zich weer klanken los, ongemakkelijk tegen de lange klanken aanschurend of pulserend. Na een aantal minuten gooit Laurain het roer ineens om, om met nieuwe klankkleuren verder te werken.

Laurain combineert de mogelijkheden van zijn opstelling in het titelstuk, een improvisatie met het raam open, waardoor je tegen het einde vogels, Laurains kinderen en een tractor kunt horen. Waar in het voorgaande stuk voor een min of meer rechtlijnig pad wordt gekozen, daar is ‘Pulses, Pipes, Patterns’ grilliger van aard. Zo is er veel ruimte voor kleine geluiden, die elkaar afwisselen en zowel hard op de voorgrond zijn te horen als beheerst op de achtergrond. De bewegingssnelheid varieert en ligt vaak hoog. Sommige klanken gaan hoorbaar door de buis van het instrument, waar andere geluiden de indruk wekken dat ze puur elektronisch tot stand zijn gekomen. Iets over de helft van het stuk wordt het handelingstempo wat naar beneden gebracht en zijn wat zwaardere klanken te horen. Als gauw hervat Laurain echter zijn snelle manier van werken, waarmee de wat donkerder klanken verdwijnen.

Het idee van ’90’s’ is om van de trompet een percussie-instrument te maken. Laurain genereert de effecten met een lus in een mixer. De toonhoogte verandert wanneer hij de ventielen van de trompet indrukt. Het is een soort drumpad. Het stuk wordt gedomineerd door ritmes, die overal vandaag kunnen komen en die samen een patroon vormen. Dat patroon ligt echter niet vast. Er wordt constant gevarieerd en nieuwe ritmische lagen worden toegevoegd waar andere plaatsmaken. Het stuk klinkt zo niet al te vol, zodat alle elementen goed te onderscheiden zijn. Met ’90’s’ wordt het experimenteel én muzikaal indrukwekkend album afgesloten.

Alvear-Bondi – Sigh (Carried Away) (d’incise) / grado de potencia #2 (Santiago Astaburuaga)

De Chileense gitarist Cristián Alvear is een muzikant die in zijn muzikale loopbaan naar samenwerkingen zoekt. Hij houdt zich bezig met experimentele en hedendaagse muziek, als componist en als uitvoerder. Drummer en percussionist (en labelbaas) Cyril Bondi is een sleutelfiguur in de Zwitserse experimentele muziekscene. Zij komen nu met een album met werken van d’incise en Santiago Astaburuaga. Het is de eerste uitgave van een serie van drie albums waarop het duo Alvear-Bondi zes nieuwe composities uitvoeren van drie Chileense en drie Zwitserse artiesten. Op de volgende twee albums kunnen we werken verwachten van Mara Winter, Bárbara González, Anna-Kaisa Meklin en Nicolás Carrasco.

De opnames voor het album zijn gemaakt in de INSUB.-studio in Genève en in Alvears thuisstudio in Santiago. De eerste compositie betreft Sigh (Carried Away) van d’incise. Het is een stuk van 43 minuten. d’incise is verantwoordelijk voor zowel de compositie als de elektro-akoestische bewerkingen. Bondi is te horen op vier cimbalen en Alvear op elektrische gitaar. De compositie bevat veel ruimte, maar het is te makkelijk om de muziek af te doen als minimalistisch. Daarvoor is het spel op de cimbalen en de gitaar te expliciet en te levendig.

Wat de muziek aanvankelijk doet, is reflecteren. Na momenten waarop de twee muzikanten beiden spelen, klinken de tonen lang na, zodat je die als luisteraar goed op je in kunt laten werken. Bondi laat zijn bekkens niet zozeer ruisen, maar slaat ze aan, waarbij de attaque goed te horen is. Het geluid van de elektrische gitaar is ook niet bescheiden. Hoewel Alvear zijn aanslagen regelmatig verbergt, is de klank vrij scherp en doordringend. Tussen de momenten van samenspel in horen we Bondi op zijn cimbalen slaan, waarbij hij soms de naklank afdempt. Daarmee is het werk echter nog niet geduid. De muziek volgt geen voorspelbaar parcours en varieert in intensiteit.

Zo wordt na zo’n zeven minuten overgeschakeld op zeer lange gitaartonen en het in een hoger tempo beslaan van de bekkens. Op sommige momenten mag de gitaar lang doorklinken zonder begeleiding, op andere momenten legt Bondi een patroon onder de lange gitaarklanken. Rond minuut vijftien wordt na een korte stilte het pad verlegd. De gitaar speelt een motief waarin een puls verscholen zit. Plots houdt dat motief op ten faveure van lange harde klanken, om even later te worden hervat, nu in combinatie met de lange klanken. Bondi varieert, brengt beweging in de muziek, legt accenten of stuurt de muziek een bepaalde richting uit. Naarmate het stuk vordert, neemt de daadkracht toe. Na de vijfendertigste minuut speelt Alvear een repeterend patroon waar Bondi (nu wel) ruisende klanken of een percussief patroon onder legt waardoor de muziek meer body krijgt.

Er is geen hiërarchische verhouding tussen de instrumenten. Alvear en Bondi hebben ieder hun taak, in hun samenspel en in de gedeelten waarin de ander stilhoudt. De elektro-akoestische bewerking van d’incise is overigens ook goed te horen. Steeds hangt een spanning in de lucht en steeds is de muziek in ontwikkeling. Met een beetje goede wil is er een verhaallijn uit te halen en in zijn abstractie heeft de muziek ook een emotionele lading.

Dat laatste geldt ook voor grado de potencia #2 van Astaburuaga, een componist en muzikant (bassist) waar Alvear al vaker mee werkte. Hier gaat het om een stuk van exact twintig minuten, waarop beide muzikanten naast hun hoofdinstrumenten (percussie en elektrische gitaar) ook met field recordings in de weer zijn. De opgenomen geluiden zorgen voor een wat collage-achtig karakter, hoewel het stuk als geheel niet als zodanig kan worden bestempeld. De schoonheid van het werk schuilt in de manier waarop Alvear en Bondi hun spel op gitaar en percussie combineren met de veldopnamen of als een soort commentaar na die veldopnamen klinken.

Gesproken stemmen zijn te horen, door elkaar heen pratend, terwijl daaronder een spannend percussief patroon wordt gelegd. Door dat steeds luider te laten klinken wordt de spanning opgevoerd. Het geluid van een motor wordt er doorheen gemengd, evenals natuurklanken op het moment dat het patroon naar de achtergrond verdwijnt. Lange gitaarklanken en vogelgeluiden gaan vervolgens samen. Het stuk is dynamisch in de zin dat soms de opgenomen geluiden wegvallen, soms zelfs een stilte valt, waarna het stuk weer contouren krijgt met een lage toon, gevolgd door percussieve klanken. Drukte en gespannen rust wisselen elkaar af.

Een straatbeeld komt op het netvlies door verkeersgeluiden, terwijl je je als luisteraar het volgende moment binnen waant waar door twee mannen druk geconverseerd wordt. Het volgende moment klinkt de muziek alsof die zich in een soort vacuüm bevindt, waarna Alvear met enkele spaarzame tonen een desolate sfeer neerzet. Een constante of een ander houvast is er niet in het stuk van Astaburuaga, het zijn puur de klanken en veldopnamen en de combinatie ervan die het werk moeten doen. Alle aspecten bij elkaar genomen ontstaat een muziekstuk dat even ongrijpbaar als fascinerend is.

Fredrik Rasten – Svevning

Vanuit Oslo en Berlijn opereert gitarist en componist Fredrik Rasten, die werkzaam is in het gebied van experimentele muziek, zowel geïmproviseerd als gecomponeerd. Zijn belangrijkste focus is gericht op het verkennen ven benutten van de akoestische mogelijkheden van de gitaar met stalen snaren, gefascineerd als hij is door de bijna tastbare ervaringen van akoestische fenomenen. De laatste jaren werkt hij veel met alleen intonatie, waarbij hij consonantie als uitgangspunt heeft genomen. Waar dat onder meer toe leidt, is te horen op Svevning.

Svevning is een Noors woord dat levitatie of vliegen betekent, in de zin van vliegen zonder inspanning, zoals wanneer een vogel volledig wordt ondersteund door de luchtstroom, alleen maar zweeft. Svevning verwijst ook naar een akoestisch fenomeen, interferentie of kloppen, dat optreedt wanneer twee tonale klanken slechts weinig in toonhoogte verschillen. Wanneer twee tonen stabiel worden aangehouden, manifesteert hun verschil in frequentie zich sonisch als een pulserend trillingspatroon. Naarmate het verschil in frequentie tussen de twee tonen toeneemt, neemt de snelheid of frequentie van de puls dienovereenkomstig toe tot een punt of gebied wordt bereikt waar het verschil niet meer als een puls, maar als een toon te horen is. Dit staat bekend als een verschiltoon, ook wel Tartini-toon genoemd.

Svevning is een uitbreiding van Rastens eerdere stuk Limn. De muziek ontvouwt zich als een steeds veranderend continuüm van akkoorden, voortgestuwd door open snaren en hun harmonische knopen, langzaam verweven door herstemming, tokkelpatronen en af ​​en toe een stem. Het album telt twee stukken van 38 respectievelijk 39 minuten. Het is een lange zit, maar eenmaal gegrepen door de klanken van de gitaar blijkt dat helemaal niet als zodanig te worden ervaren.

Rasten speelt op zijn gitaar een spaarzaam aantal getokkelde noten, rustig, zonder haast. De muziek klinkt dichtbij, want je hoort het bewegen van de vingers over de snaren en andere bijgeluiden, waaronder af en toe ook de ademhaling van de gitarist. De tonen mogen doorklinken en daardoor gebeurt iets magisch: in de naklank gaan de tonen een harmonisch verbond aan, waardoor een samenklank, een akkoord ontstaat dat verwondering en bewondering oproept. Rasten voegt er soms een toon van zijn stem aan toe die aansluit op de samenklank.

De gespeelde noten blijven overigens niet steeds hetzelfde. Rasten blijft het gestage patroon trouw, maar voegt er een paar andere klanken aan toe, klanken die minder ‘mooi’ harmoniëren doordat ze dissonant zijn. Juist die tonen zorgen ervoor dat de muziek spannend blijft. Soms hebben de ogenschijnlijk uit de toon vallende klanken iets plagerigs; ze halen je als luisteraar uit een roes die makkelijk ontstaat door de oorspronkelijke opeenvolging van tonen en de samenklanken. Gaandeweg worden de akkoorden die ontstaan iets ongemakkelijker en daardoor spannender.

Waar ‘Svevning I’ start met mooie samenklanken, daar begint ‘Svevning II’ direct spannend, waarmee het overigens goed aansluit op het laatste gedeelte van het eerste stuk. Het tempo van aanslaan en het aantal noten liggen nu iets hoger en de stem klinkt iets lager, maar verder volgt het stuk feitelijk hetzelfde stramien dan het eerste, maar met als belangrijk verschil dat de gitarist later in het stuk ook echt wat kleine akkoorden aanslaat. Ook nu weet Rasten zijn compositie, die wellicht intuïtief tot stand komt, zorgvuldig te construeren en te variëren, zodanig dat er steeds iets gebeurt, waardoor je als luisteraar op het puntje van je stoel blijft zitten om maar niets te hoeven missen.

Rasten weet met minimale middelen twee lange stukken te brengen die maximaal effect sorteren door de harmoniëring van klanken. Er gebeurt zoveel meer dan alleen sec de noten die gespeeld worden. Het klinkt eenvoudig en magisch tegelijk en het intrigeert de volle 77 minuten lang.

Pulses, Pipes, Patterns bandcamp

Sigh / grado de potencia #2 bandcamp

Svevning bandcamp

Louis Laurain website

Cristián Alvear website

Cyril Bondi website

d’incise website

Fredrik Rasten website