Moonlee, 2021

Als het gaat om de alternatieve popmuziek wordt maar zelden verder gekeken dan het Engelse taalgebied. Als bands uit andere landen het willen maken in het buitenland zien zij zich vaak genoodzaakt om zich te bedienen van het Engels. En dat terwijl de moerstaal vaak veel mooier klinkt. Oké, als Westeuropeaan versta je er vaak niets van, tenzij je je toevallig in de betreffende taal hebt verdiept of een enorme talenknobbel hebt, maar dat hoeft het genieten van de muziek niet in de weg te staan.

Twee voorbeelden van bands uit Oost-Europa die niet of nauwelijks onderdoen voor de bovenlaag van de underground muziekscene in Nederland en de ons omringende landen, zijn het Servische Koikoi en het Sloveense Lelee. Beide bands brachten onlangs een album uit op het Sloveense label Moonlee Records, een label dat een goede neus heeft voor talent uit Slovenië en de daaromheen liggende landen. Voor zowel Koikoi als Lelee betreft het een debuutalbum.

KOIKOI – Pozivi u stranu

Koikoi is een band uit Belgrado, opgericht in 2017 en bestaande uit Marko Grabež, Emilija Đorđević, Ivana Miljković en Ivan Pavlović Gizmo. De band heeft getuige het debuutalbum Pozivi u stranu de nodige invloeden opgezogen om die vervolgens op een eigen wijze vorm te geven. Indierock en post-punk zijn de belangrijkste stijlkenmerken, maar ook folk, krautrock en psychedelische rock zijn als invloeden te herkennen in de sound van het viertal. Het debuut is een fris en verrassend veelzijdig plaatje dat op momenten venijnig uitpakt maar ook momenten van pure schoonheid bevat.

Dat laatste element moet vooral gezocht worden in de vocalen. De band presenteert een mooie mix van mannelijke en vrouwelijke vocalen en vooral als die vocalen worden gecombineerd levert dat prachtige momenten op. De band zou met gemak sophisticated pop kunnen maken, maar waakt daar voor. In plaats daarvan heeft de groep een ruwe en robuuste kant die net zo goed wordt uitgespeeld als de melodische en harmonische zijde van de sound. Dat maakt Koikoi tot een band die zijn eigen plek verdient in het alternatieve muzikale landschap.

Beide kanten komen gecombineerd goed naar voren in opener ‘Ogledalo Je Zrcalo’, sowieso een van de sterkste songs op het album met zijn aantrekkelijke drumshuffle, melodieuze bas en jaren negentig indierock-vibe. De gezamenlijke vocalen zijn een absolute meerwaarde. Ze neigen soms naar scanderen maar dat stoort nergens. Het daaropvolgende ‘Plan’ kent een discobeat, die samen met wat subtiele synthlijntjes voor een geheel andere sound zorgt dan die van de openingstrack. Ook nu is er een opvallende melodieuze rol voor de bas. Mooi is de vertraging van het tempo in het laatste gedeelte en het achterwege laten van de terugkeer naar de oorsprong.

Dat Koikoi een duidelijke folkinvloed heeft, blijkt het meest uit ‘Dodol’, dat bij de start klinkt als een traditioneel volkswijsje met fraai harmoniërende vocalen, maar uitmondt in een even fraai gezongen song die elementen uit indierock, pop, folk en krautrock in zich draagt. De veelzijdigheid van het kwartet komt wellicht het best tot zijn recht in ‘Misisipi’, een song die verschillende kanten op beweegt, in tempo varieert, enkele keren zeer stevig uitpakt en boordevol muzikale ideeën zit, zoals overigens elk stuk op het album uit meerdere ideeën bestaat.

De bas is leidend in het acht minuten durende titelstuk, geplaatst in het hart van het album en voorzien van zeer doeltreffende gitaarlicks en riffs. Soms doet de muziek ietwat denken aan Repetitor, maar Koikoi gaat subtieler te werk en maakt geen echte noiserock, al mag de muziek zo nu en dan wel schuren. De band weet de aandacht in ‘Pozivi u stranu’, moeiteloos vastgehouden door te spelen met dynamiek en intensiteit. Halverwege wordt het tempo stilgelegd, waarna het stuk langzaam weer opgebouwd wordt, zonder in herhaling te vervallen.

Balkanfolk klinkt weer duidelijk door in ‘Hrast’, gegoten in een dansbaar ritme en opgewaardeerd met ruwe synths. Totdat de band plots hard toeslaat in een gedeelte waarin de gitaar schuurt en wringt. Het is de opmaat voor het tweede gedeelte, waarin het folkgehalte intact blijft en de bas de leidende rol op zich neemt. En dat is nog niet alles in een song die erg veel elementen bevat die keurig bij elkaar worden gehouden, niet in de laatste plaats door de prachtige vocalen. ‘One koje bole boje se i vole’ is vervolgens een ballad die op het randje van pathos balanceert maar net aan de goede kant van de streep blijft.

Een dansbeat duikt opnieuw op in ‘Hangar’, maar ook een gitaarlick komt sterk op de voorgrond in dit in eerste instantie wat minder opvallende stuk dat echter enkele fraaie subtiliteiten bevat. Dansbaar is aanvankelijk ook ‘Krinolina’, waarin een aanstekelijk gitaarlijntje opduikt. Koikoi verandert de koers echter drastisch zodra de vocalen hun intrede doen, het tempo naar beneden gaat en de stemming melancholiek en enigszins dromerig wordt. De melancholie blijft in het afsluitende ‘Kada ostari dan’, een ballad met prachtige harmonieën in het refrein en een stevig einde.

Pozivi u stranu is een debuutplaat die laat horen dat Koikoi boordevol muzikaal talent zit waarmee vele kanten op bewogen kan worden. De plaat kent geen zwakke momenten, bevat sterke songs en veel variatie. Het is te hopen dat in de toekomst de scherpe kantjes niet te veel eraf geveild gaan worden, want de rauwe kant van de muziek is nodig om de muziek niet te braaf te laten worden. Voorlopig is in ieder geval sprake van een ronduit prachtig debuut.

LELEE – Čuka bije pumpa

Lelee opereert vanuit Ljubljana en bestaat uit de van oorsprong Servische Jelena Rusjan (bas en vocalen), Macedoniër Damjan Manevski (gitaar en vocalen) en Sloveen Jan Kmet (drums). De band klinkt op Čuka bije pumpa wat speelser, poppier en luchtiger dan Koikoi, maar de muziek heeft de nodige inhoud, schuurt hier en daar en heeft een drive die je bij de betere underground indierockbands tegenkomt. Een belangrijke overeenkomst met de Servische band zijn de zowel vrouwelijke als mannelijke vocalen, die worden afgewisseld maar ook samengaan.

‘Izvan sebe’ laat nog een overeenkomst horen met Koikoi: de melodieuze bas, die ook lekker hard in de mix staat. Maar waar het Servische viertal de invloeden voor een belangrijk deel uit de jaren negentig haalt, daar heeft de muziek van dit Balkan-trio ook een jaren tachtig-vibe. Daaraan wordt wel een eigentijdse draai gegeven. De zang wordt in de energieke openingstrack om beurten verzorgd door Rusjan en Manevski. ‘Fasciniran (sum od mnogu lugje)’ doet denken aan New Order (of The Cure ten tijde van The Head On The Door) en is een aanstekelijke uptempo song die stemmingverhogend werkt. Sterke troef, naast de melodieuze en harde bas van Rusjan, is de gitaar van Manevski, die overal rond tingeltangelt. Dat geldt overigens niet alleen deze song.

De poppy kant van Lelee komt goed tot uiting in ‘Ništavilo’. Inmiddels is ook duidelijk dat de band niet om goede songs verlegen zit en de in de uitvoering een goed oor heeft voor detail. De saxofoonpartij van gast Andrej Fon past perfect in het groepsgeluid. Waar je maar al te vaak hoort dat de saxofonist de song kapot soleert, daar houdt Fon zijn smaakvolle bijdrage binnen de perken. In ‘Čudo’ klinkt lichtjes een funkinvloed door. Het ritme is wel enigszins hoekig maar zeer aantrekkelijk. De song klinkt niet te clean maar heeft een klein ruw randje, te weinig om mainstream muziekliefhebbers af te schrikken maar net genoeg om meer avontuurlijk ingestelden over de streep te trekken.

Dat de band ook stevig kan rocken, wordt bewezen met ‘Kratkog daha’. De sound van het trio is stevig maar transparant. Ook op de meest stevige momenten ademt de muziek en wordt de sound nooit overvol. Het gitaarwerk is zowel rauw als aanstekelijk en de zangmelodie is er een die in je hoofd gaat zitten, ook al versta je geen woord. Mooi is het drumwerk van Kmet in ‘Poželuvam’, een indierocksong waarin de jaren tachtig én negentig doorklinken en de melodische lijnen opnieuw in de bas zijn te vinden terwijl het gitaar ritmische accenten legt. Het lange instrumentale gedeelte laat horen dat de muziek ook zonder zang recht overeind blijft staan.

Het drietal laat zijn ritmische kunnen horen in ‘Srce’, ook zo’n song die zowel hoekig als aanstekelijk klinkt en gezegend is met een melodie die nog lang nagonst nadat het nummer is afgelopen. In deze song krijgt Lelee bijstand van Uroš Milkić op synths. Diezelfde Milkić is als backingvocalist te horen op ‘Kopnež’, waarop Blaž Gracar synths speelt. Het is een balladachtige song die prachtig wordt gezongen door Rusjan en door de inbreng van de synths wat voller klinkt dan de andere nummers op het album.

‘Generacija XYZ’ luidt de titel van de verrassing op het eind. Lelee laat zich plots van zijn meest rauwe en punky kant horen. Milkić is ook hier als achtergrondzanger van de partij. De energie en het speelplezier druipen van de muziek af. Zo wordt Čuka bije pumpa op onstuimige wijze beëindigd. Het debuut van Lelee is ijzersterk, zowel compositorisch als qua uitvoering. Variatie is er volop en toch heeft de band ontegenzeglijk een eigen sound. Net als bij Koikoi is het te hopen dat de band de scherpe randjes in de toekomst weet te behouden.

Pozivi u stranu bandcamp

Čuka bije pumpa bandcamp