Eigen beheer, 2021

“No ego, just ears”, luidt het op de bandcamppagina weergegeven motto van het Amsterdamse duo Glice. Bij dit tweetal leidt dat al enige jaren tot geslaagde noise-exercities, of die nu op geluidsdrager worden astgelegd of live worden gebracht. Een goed paar oren is nodig om ervoor te zorgen dat de muziek niet ontaardt in herrie maken om het herrie maken en een ego is in het genre überhaupt niet gewenst. Goed motto dus.

Glice bestaat ui Ruben Braeken en Melle Kromhout. Eerstgenoemde is gitarist in Katadreuffe, Apneu en Paralympics en de ander speelde in Fata ‘el Moustache’ Morgana en heeft zich daarnaast als wetenschapper beziggehouden met promotie-onderzoek naar ruis in geluidsopnamen. Ruim drie jaar geleden verscheen van het duo de lp Cielo, waarop de Amsterdammers productionele bijstand kregen van Alexander Hacke (Einstürzende Neubauten). Daarna verscheen nog een aantal releases, digitaal en op cassette, maar het nieuwe, op cd verschenen album Pyre moet gezien worden als de opvolger van die lp van eind 2017.

Ook op het nieuwe album krijgt het duo productionele hulp, dit keer van een in noisekringen vooraanstaande naam: Lasse Marhaug. Deze Noorse muzikant en producer is een pionier op noisegebied, of dat nu pure noise betreft of experimenten met bijvoorbeeld geïmproviseerde muziek, extreme metal, jazz of rock. De twee Glice-leden produceerden Pyre overigens zelf. Marhaug is verantwoordelijk voor coproductie en de mix en levert zijn bijdrage op drums en enkele geluiden in het langste stuk op het album. De mastering is gedaan door James Plotkin en dat weet je dat het goed zit.

Waar Glice regelmatig uitblinkt in het maken van vrije noise-improvisaties, daar kiest het tweetal op de nieuwe plaat voor strakker gearrangeerde en meer afgeronde nummers. Die nummers zijn opgebouwd uit onder andere analoge elektronica, vervormde stemmen, krassende gitaren, veldopnamen, percussie en saxofoons. Het duo neemt de tijd om zijn muzikale blik te verdiepen en te verruimen, want het gaat hier om een dubbel-cd. Elk van de schijfjes heeft een eigen subtitel: Part 1 Cleave en Part 2 Coalescence.

De korte openingstrack ‘Saudade’ begint met een bescheiden klap, waarvan de rest van het stuk de pulserende uitloop is. ‘Blood Sky’ begint vervolgens redelijk ingetogen, al is de noise op de achtergrond dreigend. De spanning bouwt zich langzaam op met ambientachtige texturen. Totdat reusachtige en loodzware voetstappen van klanken het parcours drastisch verleggen. Een vrij bewegende gitaarklank komt naar voren uit de massa. Feedback en een messcherpe gitaar worden toegevoegd en de atmosfeer wordt alsmaar dikker. Het is alsof de menigte gillend wegstuift voor het monster dat in aantocht is.

Pulserende duistere synthklanken vormen de ruwe basis van ‘Three Bones’. De geluiden daarachter bestaan onder meer uit vervormde menselijke stemmen, die door die vervorming een futuristisch karakter aanbrengen in het stuk. Ontregeling treedt op door het invoegen van onverwachte harde klanken, die een gewelddadige inslag hebben en waar een snerpende gitaar zich bij voegt. De synthklanken laten zich echter niet verdringen, zelfs al neemt de noise steeds extremere vormen aan. Het korte ‘A Screw Falls To The Ground’ heeft een filmisch karakter, alsof het om muziek bij een scène in een artistieke en duistere horrorfilm gaat.

Het sleutelstuk van Cleave en eigenlijk van het hele album, is ‘Constantinople 541 CE’, een 26 minuten durend werk waarin veel samenkomt van wat de noisemuziek van Glice zo intrigerend maakt. Rauwe gitaarakkoorden, als zelfstandige entiteiten bewegende synthklanken, gruizige geluiden, harde ruis, sacrale zang, zware basklanken, saxofoons, een bonang, veldopnamen, draaiende bewegingen, repeterende patronen, overscherende geluiden, hoge bliepjes, niet nader te specificeren klanken, duisternis en vooral: een niet voorspelbaar muzikaal traject. De intensiteit kan overdonderend zijn, maar de noisekraan staat in grote delen niet voluit open. Het duo werkt met dynamische verschillen en bovendien wordt gevarieerd met de klankkleur, de gelaagdheid en de dichtheid van de geluidsmuur. Naast de bijdrage van Marhaug krijgt Glice in dit stuk ook muzikale bijstand van Coen Oscar Polack.

Na het intense luistergenot van ‘Constantinople 541 CE’ klinkt ‘Gold-Bug’, waarmee Coalescence opent, bijna vriendelijk. Dat is het niet natuurlijk, maar in de ambientachtige track wordt de noise op een wat toegankelijker wijze geserveerd. Fraai is hoe een donkere laag zich onder de overheersende klanken schuift. ‘Rays’ is vervolgens een al dreigende duisternis, waarbij je als het ware de nachtdieren schichtig ziet wegschieten uit je ooghoeken, totdat scherpe synth- en andere klanken gaan overheersen en het gevaar bijna tastbaar wordt. ‘Korovyev’ heeft futuristische trekjes en zou als soundtrack bij een filmscène van een landend ruimteschip niet misstaan. Dat het om een vijandig gezinde bemanning gaat, blijkt uit de licht dissonante synthklanken in het tweede gedeelte. In het hele stuk klinkt Glice opvallend transparant en in het laatste gedeelte is zelfs een constant ritme te horen.

In ‘Anemone’ is de muziek constant in beweging. Sommige bewegingen zijn jachtig, andere melodieus en steeds gebeurt er iets. De schoonheid van de muziek manifesteert zich aan de oppervlakte. De ruisende en hard waaiende noise van ‘Flood’ vormt daarmee een groot contrast, helemaal als een meedogenloze zware toon wordt toegevoegd. De sound is confronterend en gemeen. ‘But Everything I See Is Ice Cold’ is een kort stuk met pulserende klanken, zwaar vervormde en daardoor grommende stemmen, snijdende feedback en een boosaardige sfeer.

Polack horen we weer in ‘Wetlands’, dat ogenschijnlijk enige ademruimte biedt maar net zo’n grimmige sfeer heeft als de vorige stukken. De elektronische geluiden zorgen voor een behoorlijk dichte laag geluid, waarin door hoge stemmen of geluiden iets van een melodisch aspect te herkennen valt. Polacks saxofoonklanken komen duidelijk naar voren in het laatste gedeelte van het stuk. Tot slot is er de melancholie van ‘Apoptosis’, als in een diepe rouw om een groot verlies, dat met harmoniërende klanken maar ook met donkere geluidswolken en feedback wordt verklankt. De emotie is sterk en wordt echt gevoeld.

Glice kiest op Pyre voor noise in verschillende verschijningsvormen, met veel nuances en kleurschakeringen. De Amsterdammers zien het als de culminatie van hun werk tot nu toe. Opduvel hoort een duo dat zijn vleugels verder uitslaat zonder zijn uitgangspunten – dat waar het allemaal om begonnen is – te verloochenen. Glice is nog niet uitontwikkeld en laat horen dat binnen de zelfgeschapen kaders – en op een paar momenten ook daarbuiten – heel veel mogelijk is. Het leidt tot een lange en intense maar ook zeer bevredigende luisterervaring.

Pyre bandcamp