Tapete, 2016

Uit Neurenberg komt het trio HEIM; drie jonge gasten die de jaren negentig hoog in het vaandel hebben staan, en dan met name indierock zoals die destijds gemaakt werd door bands als Dinosaur jr., Sebadoh, Superchunk, Built To Spill en in iets mindere mate Shellac en Unwound. Kenmerkend zijn muziek en een attitude die op geen enkele wijze op handige marketing duiden, waarbij opnametechnieken ondergeschikt zijn aan een rauwe, eerlijke sound en waarbij het woord imagebuilding niet in het woordenboek voorkomt.

Palm Beach heet de tweede plaat van de Duitsers en daarop weten Michael Shihrer, Denny Thasler en Florian Bauer een goede mix te vinden tussen weltschmerz en woede. De grondtoon is melancholiek en de teksten somber. HEIM onderscheidt zich uiteraard van veel andere indierockbands doordat in de moerstaal wordt gezongen. De teksten duiden op een negatief zelf- en wereldbeeld en strofes worden regelmatig herhaald, wat in het begin storend kan werken. Uiteindelijk dringen die gescandeerde woorden echter diep door en dat zal precies de bedoeling zijn.

Zanger Thasler zingt en sneert, maar schreeuwt ook de longen uit zijn lijf. De muziek beweegt zich van energieke indierock naar regelrechte noise in de laatste twee nummers.  Die opbouw van indierock naar noiserock is een bewuste en dat pakt erg goed uit. Verder klinkt de muziek erg Amerikaans; het is dat in het Duits wordt gezongen, anders zou je zweren met een nineties indieband uit de Verenigde Staten van doen te hebben.

De makkelijkst in het gehoor liggende songs zijn te vinden op kant A van de lp. ‘Nicht mehr da’ opent met heerlijke lo-fi waarin vooral het rammelende gitaarspel en J Mascis-achtige solowerk opvallen. De zinsnede “Es wird mir jetzt klar” wordt bijna eindeloos herhaald, totdat het overgaat in het geschreeuwde “Ich bin nicht mehr da”. Een perfecte albumopener. Prijsnummer van de eerste plaatkant is echter het daaropvolgende ‘Das alte Versteck’, waarin HEIM een perfecte mix creëert van Sebadoh en (oude) Superchunk, waarbij de zang vaag aan Doug Martsch doet denken. Vlotte en melodieuze indierock die tegelijkertijd melancholiek klinkt.

De sombere, berustende sfeer wordt met de woorden “Es lohnt sich nicht / Alles bleibt wie es schon immer war” benadrukt in het voor een deel tweestemmig gezongen ‘Nächstes Mal’. ‘Im Keller’ (nee, geen Tocotronic-cover) blijft aanvankelijk wat minder hangen. De zang is wat te klagerig en de melodie weinig gedenkwaardig. Totdat de band in het tweede gedeelte, waarin stevig wordt uitgehaald en van zingen wordt overgegaan naar schreeuwzang, toch weer verrassend uit de hoek weet te komen.

Kant B opent met het snelle en korte ‘Der letzte Halm’. Het is de opmaat voor de meer noisy songs die deze plaatkant bevolken. ‘Verliebt, verlobt, verheiratet’ geeft nog een flinke duw in de noise-richting, maar klinkt iets te simplistisch om te kunnen overtuigen, al redt de gitaar de song van de vergetelheid. Het op een monotone, stuwende groove gebaseerde ‘Ich glaub ich werd krank’ met een zich herhalende tekst “Es ist immer / Immer zu viel” bouwt gestaag naar een lawaaiige climax, al verbleekt die herrie dan weer bij wat HEIM op afsluiter ‘Nein’ presteert: vijf en een halve minuut driftige noiserock met een basriff waar The Jesus Lizard ten tijde van Liar trots op zou zijn geweest.

Origineel is de muziek die HEIM op dit album laat horen niet, maar door zich op de grens tussen indierock en noiserock te begeven ontwikkelt de band toch zoiets als een eigen gezicht. Elke song kent het nodige venijn en de ruwe, lo-fi sound draagt daar ongetwijfeld aan bij. HEIM zal met Palm Beach de wereld niet veroveren, maar een verdraaid lekker plaatje is het wel.

HEIM Facebook