Partisan, 2021

Een dik jaar na het vorige album Ultra Mono ligt er al een nieuwe IDLES in de schappen (voor wie, zoals ondergetekende, nog gaat voor het fysieke product in de winkel). Wellicht speelt de coronapandemie hier een rol. Of misschien had de band door dat die vorige plaat de impact miste die de eerste twee albums wel hadden. Opduvel was vorig jaar nog wel positief over Ultra Mono, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dat wat te vroeg gejuicht was. Het schijfje is sindsdien nooit meer uit de kast gekomen.

Waar het harde en bijtende debuut Brutalism je omver kegelt en Joy as an Act of Resistance de kopstoten weet te combineren met uitstekende songs, daar is de vorige plaat in retrospectief wat plat. De muziek op dat album is nog steeds hard en in your face, maar een stuk minder beklijvend dan op de voorgangers. Daar kunnen de paar sterke songs en verrassende gastrollen niet aan af doen. Het iets te makkelijke sloganisme op het album is uiteindelijk vooral vermoeiend.

Kennelijk heeft IDLES doorgehad dat er wat moest veranderen, want Crawler is een heel andere plaat dan Ultra Mono. Gelukkig. Er is meer ruimte voor afwisseling en ontwikkeling en hoewel het niveau van de eerste twee albums niet helemaal gehaald wordt, komt de band dichtbij. Op sommige vlakken valt men wat in herhaling. Of dat als een verwijt moet worden gezien, is de vraag. De Engelsen hebben hun eigen sound en van wie moet je anders jatten?

Waar IDLES een kruising maakt tussen noiserock en post-punk, daar slaat op de nieuwe plaat de wijzer vaker door naar het tweede genre. De muziek ademt wat meer dan voorheen, wat vooral goed tot uiting komt in wat langzamere tracks als het ijzersterke ‘The Beachland Ballroom’, dat met zijn zes/achtste cadans, ingehouden spanning en emotionele lading een van de hoogtepunten op het album is. Ook opener ‘MTT 420 RR’ mag er wezen, traag in tempo en met een mooie elektronische invulling. Die elektronica komt vaker voorbij, het sterkst in het vrij rustige en behoorlijk experimentele ‘Progress’ en het daaraan voorafgaande miniatuurtje ‘Kelechi’. Het geeft het geluid van de band een extra dimensie en daarnaast meer mogelijkheden tot ontwikkeling, dus misschien gaan we op toekomstige releases wel meer elektronica horen.

Dat IDLES een wat andere afslag heeft genomen, wordt ook duidelijk in ‘When The Lights Come On’. Het is post-punk uit de jaren tachtig, inclusief Joy Division-gitaarlick. Het klinkt wat minder confronterend dan we van de groep gewend zijn, maar dat is geen probleem als een song sterk genoeg is en dat is hier zeker het geval. Crawler is geproduceerd door Mark Bowen en hiphop-producer Kenny Beats en zijn invloed doet zich gelden in bijvoorbeeld ‘Car Crash’, met een sterke nadruk op de beat waar je als het ware ook op kunt rappen. Talbot doet het op zijn eigen manier, met een wat vervormde stem. Verrassend zijn zijn hoge vocalen verderop in de song. Als er dan uiteindelijk volle bak wordt gegaan, komt dat extra hard aan.

Op Crawler doen drie gastmuzikanten mee: saxofonist Colin Webster, die ook op de vorige plaat van de partij was, cellist Charlotte Nicholls en zanger Dane Cross. Het zijn er wat minder dus dan op de vorige plaat, maar hun bijdragen zijn mooi en effectief, niet afdoend aan het bandgeluid van IDLES. Opvallend zijn Nicholls’ sonore en stemmige spel in ‘MTT 420 RR’ en ‘Progress’ en Websters ruig gierende sax in ‘Meds’. Over ruig gesproken: met ‘Wizz’ deelt de band een zeer venijnige kopstoot uit van dertig seconden.

Dat je tegelijk punky, sexy en broeierig kunt klinken, bewijst de band in ‘The New Sensation’, dat compositorisch niet zoveel om het lijf heeft maar wel een grote aantrekkingskracht heeft en tot dansen uitnodigt. Ja, de ‘oude’ IDLES is er nog steeds, getuige ook het voortdenderende ‘The Wheel’, waarin de gitaren mogen schuren, de bas zwaar dreunt, de punkattitude naar voren komt en Talbots typische praatzang met urgentie wordt gebracht. Maar ook hier zorgt de band voor wat meer lucht in de muziek dan voorheen. ‘Meds’ klinkt misschien iets te veel als een herhalingsoefening, maar dan wel een glorieuze. Punk komt ook naar voren in ‘Crawl’, al weet IDLES er wel een soort popfeel in te stoppen. Ook ‘Stockholm Syndrome’ hakt er stevig in, met een ouderwets declamerende Talbot.

IDLES besluit Crawler met twee songs die ten opzichte van het voorgaande wat minder indruk maken, wat waarschijnlijk komt doordat er niets nieuws meer gebeurt. ‘King Snake’ is bovendien geen erg sterke song. ‘The End’ is een stuk beter, maar het punt is al gemaakt. IDLES zoekt en vindt op zijn nieuwe album nieuwe wegen, niet door geforceerd naar andere invalshoeken te zoeken, maar door wat frisse elementen te incorporeren. Dat was nodig en gelukkig pakt het goed uit. Een mooie stap voorwaarts dus, eentje die nieuwsgierig maakt naar de verdere ontwikkeling van de band.

Crawler bandcamp

IDLES website